
Clown Wim stootte, bij het uit bed stappen, zijn kleine teen tegen het wieltje van de bureaustoel.
Iemand had de stoel niet op de juiste plaats teruggezet.
Was hij het zelf geweest?
Was Bob de Bouwer een bouwvakker?
Hoe dan ook, het onverwachte contact tussen het kwetsbare, blote teentje en het harde, kunststof wieltje, was er niet minder pijnlijk door.
Clown Wim vond dat het leven een aaneenschakeling was van leuke en minder leuke momenten.
Dit was een minder leuk moment.
Clown Wim moest er van huilen, terwijl Clown Wim toch veel liever lachte.
Welke clown huilt liever dan dat hij lacht?
Ja, een pierrot.
Maar een pierrot was geen clown, vond Clown Wim.
Een pierrot was een loser, een loser van de ergste soort en als clown geen knip voor zijn stinkende jankneus waard.
Als Clown Wim ergens een hekel aan had, dan was het aan pierrots.
Sinds zijn moeder door een groepje van die engerds was lastiggevallen in de stripclub, had Clown Wim het helemaal gehad met die lui.
Pierrots moesten dood.
Of in elk geval moesten ze worden opgesloten in concentratiekampen, waar ze maximaal een keer per maand bezoek mochten ontvangen en gedwongen werden te luisteren naar Bon Jovi, afgewisseld door weerberichten van een half jaar geleden.
Dat vond Clown Wim.
Dus het antwoord op de vraag, welke clown liever huilt dan dat hij lacht, luidt:
Geen enkele, echte, clown huilt liever dan dat hij lacht.
Zittend op de rand van zijn bed, masseerde hij zijn pijnlijke teentje.
Toen de ergste pijn was weggetrokken, moest Clown Wim plotseling lachen.
Op zijn nachtkastje lag de foto van de poes die hij de avond ervoor uit het magazine had geknipt.
Het was een grappige poes, die iets heel grappigs deed.
De poes deed zoiets grappigs, dat Clown Wim erom moest lachen.
Dat was een leuk moment.
Illustratie: Lotje Louwe Kooijmans