
Wat volgt is een fragment uit de streekroman ‘Puike mest’, een werk uit de woelige jaren 90 van de vorige eeuw, dat niet alleen op nationaal niveau bejubeld werd, maar ook door de plaatselijke pers de hemel in werd geprezen.
In dit fragment probeert de protagonist zijn vinger te krijgen achter een van de vele levensvragen, die in dit buitengewoon rauwe en realistische werk uiteindelijk toch onbeantwoord blijven:
Frans steunde op de vensterbank en staarde door het raam naar buiten.
Hij snoof de geur van de gloeiendhete koffie op die zich in de mok tussen zijn handen bevond.
‘Lekker’, dacht hij.
Frans zag dat het flink regende.
De wind jakkerde matig tot krachtig uit noordwestelijke richting, stelde hij vast aan hand van de bewegingen van de bomen, bomen die zich al vele jaren aan de uiterste grens van zijn erf bevonden.
Een moment dacht Frans aan ballet, maar al snel dacht hij niet meer aan ballet.
Het regende en waaide al dagen achtereen.
Regen en wind dus.
Al dagenlang.
Het was koud.
De carnaval moest nog beginnen.
‘Dat belooft wat’, dacht Frans.
Zijn vrouw was gek op carnaval geweest, maar zij was al jaren dood.
Op momenten als deze miste hij haar enigszins, maar niet overdreven, want Frans deed niet aan overdreven.
Nee.
Dan het groeien van suikerbieten.
Dat groeien was niets minder dan een wonder.
Zo had je een zaadje en zo had je een enorme oogst.
Niets minder dan een wonder, vond Frans.
Er waren mensen die begrepen hoe een enkel zaadje kon veranderen in een enorme oogst, maar daar was Frans er niet een van.
Nee, mensen die dat wel begrepen, waren bioloog en Frans was geen bioloog.
Frans was in de verste verte geen bioloog en hij zou van zijn lang zal ze leven geen bioloog worden.
Frans was een boer die tot zijn nek in de suikerbieten zat.
Links, rechts en door het midden.
Suikerbieten.
Daarnaast verzamelde hij futensnavels.
Futensnavels waren, zeg maar, vergroeid met het diepste zijn van Frans.
Zijn collectie futensnavels was er eentje uit het boekje.
Vrijwel iedere beurs waar futensnavels werden verhandeld, werd door Frans bezocht.
Vaak als eregast vanwege zijn deskundigheid en uitgesproken mening, maar soms ook gewoon als enthousiast verzamelaar.
In elk geval altijd op zoek naar precies de futensnavel die nog ontbrak in zijn grandioze collectie.
Als hij die vond, bedankte hij God.
Frans bedankte God in feite voor alles.
Frans geloofde sterk in God.
Frans geloofde dat God zaadjes veranderde in enorme oogsten.
Frans geloofde ook dat God hem in de buik van zijn moeder had gestopt en dat zijn vader daar niets mee te maken had gehad.
Waarom God de man die claimde Frans’ vader te zijn in diens leven had gebracht, was Frans een raadsel.
Maar Gods wegen waren nou eenmaal ondoorgrondelijk, dat zei de Bijbel zelf.
Dus in feite was er niets te begrijpen, vond Frans.
Hij moest het maar met die man doen, of hij wilde of niet.
En die man met hem, ook al ging die bijna dood.
Dat was dan Gods wil en Frans bedankte Hem daarvoor.
Het was een regenachtige en winderige dag.
De gierkar van de buurman reed schokkerig over de akker, wat te maken had met de oneffenheden in de akker.
Voor wie zich even geen voorstelling bij een akker kan maken: een akker is iets anders dan een strak geplaveide weg.
Frans roerde de suiker door zijn koffie.
De koffie was gloeiendheet en dampte.
Frans was tevreden over de geur van de koffie.
‘Lekker’, dacht hij.
Een vogel die geen zin had om door de gierkar van de buurman te worden overreden, fladderde weg, vlak voordat hij door de gierkar van de buurman zou worden overreden.
Frans zag het allemaal door het keukenraam gebeuren.
‘Vliegen’, dacht Frans.
‘Dat is toch ook een wonder.‘