Joop

‘Pssssssssssssssssst’, sisten de eitjes.

Joop had een rotnacht achter de rug. Het leek een goed idee, Irish Coffee na het diner.

Hij had het langzaam licht zien worden.

De vloer in de keuken voelde ijskoud. Zijn rug was stram en zijn hoofd duf. Hij had gezocht naar een jogging, maar die zat in de was. Hetzelfde t-shirt als de dag ervoor flubberde om zijn bovenlichaam. Zijn onderbroek bood vrijwel geen ondersteuning meer aan zijn harige zak.

Hij had de onbekende krantenbezorger op zijn brommertje aan horen komen en hem tergend traag weg horen rijden, nadat hij de krant door de brievenbus had geschoven.

Zijn vriendin had zoveel hitte uitgestraald dat hij dacht dat hij naast een nucleaire reactor lag die op het punt stond een gat in de aarde te branden en telkens als hij haar voorzichtig had weggeduwd was ze weer tegen hem aangerold. Als ze zich omdraaide trok ze aan de deken, waardoor zijn linkerarm bloot kwam te liggen en afkoelde.

Twee kussens was een kussen te veel en een kussen was een kussen te weinig. De extra deken was zwaar, desondanks werden zijn voeten niet warm, maar Joop weigerde om in bed sokken te dragen. Ieder uur dacht hij dat hij moest plassen en als hij dan op de wc zat, viel de hoeveelheid plas tegen en vroeg hij zich af waarom hij niet was blijven liggen.

De vogels waren begonnen met fluiten toen het nog donker was.

De eieren keken hem aan alsof ze hem in de maling namen. Joop had het niet op etenswaren die hem lastigvielen. Met de spatel maakte hij de dooiers kapot. Hij was er nog niet uit of hij voor roerei ging of voor een dubbelzijdig gebakken variant. Joop koos voor het tweede, zijn roerei was sowieso niet om over naar huis te schrijven. De dubbelzijdig gebakken variant was ook geen bijzonder gerecht, maar daar was de salmonella tenminste gegarandeerd uit. Met roerei wist je het nooit.

Joop bakte het liefst eieren in boter. Zijn vriendin gebruikte liever olie. Haar roerei was wel lekker. Beiden smeerden mayo op hun brood, ongeacht hoe het ei bereid was. Joop was gek op peper, maar die was op.

De krant berichtte over een rel binnen de wereld van ombudsmannen. Joop wist niet precies wat een ombudsman deed, maar hij had wel het gevoel dat hij geen slechte zou zijn, als hij tenminste goed uitgerust was en dat was hij nu niet.

 

IMG_7893 (1)

 

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedInShare on Google+Pin on Pinterest

Justus

Kandidaat 587 opende de deur. Ondanks zijn rokerskuch maakte de wat oudere heer een montere indruk, al viel het Justus meteen op dat hij slecht ter been was en dat het bijknippen van zijn zilvergrijze snor een haastklus was geweest. De man hing zijn jas over de leuning van de stoel, de kapstok en hij waren aan elkaar voorbij gegaan. Met enige moeite en onder het slaken van een zucht nam hij plaats aan de overkant van het bureau. Door het vensterloze kantoor verspreidde zich vlot een niet onaangename wolk van uiengeur. Justus maakte notities, daarna stelde hij zich voor.

Sinds het systeem van solliciteren op de schop was gegaan, had Justus onophoudelijk vragenlijsten afgewerkt. De nieuwe wet schreef voor dat bedrijven voor iedere vacature duizend werkzoekenden een gelijke kans moesten geven. De namen van mensen die behoefte hadden aan betaalde arbeid stonden op de zogenaamde Nodig-lijst, zij konden elk moment een oproep ontvangen om op werkbezoek te gaan bij iemand als Justus. In plukjes van duizend.

Het nieuwe systeem, dat op de HR-afdelingen gekscherend ‘De Tombola’ werd genoemd, maar officieel te boek stond als de Wet Nodig – naar PDD-kamerlid B. Nodig, de initiatiefnemer tot het originele wetsvoorstel – was gekoppeld aan een ingewikkeld algoritme, dat iedereen die op de lijst voorkwam in theorie dezelfde kans bood op iedere baan die beschikbaar kwam. Of men nou gekwalificeerd was of niet. En dat was tevens het idee achter de nieuwe wet: dat mensen die in de verste verte niet de juiste papieren hadden voor een bepaalde functie, toch in de gelegenheid kwamen om een gooi naar die functie te kunnen doen. De ultieme democratische tool, aldus kamerlid Nodig.

Als een baan beschikbaar kwam, dan meldde een bedrijf dat bij werkbezoek.nl. Op datzelfde moment ontvingen duizend willekeurige werklozen via deze overheidsinstantie een oproep voor een werkbezoek, inclusief een datum, naam van een contactpersoon, routebeschrijving en eventueel een vergoeding voor reiskosten. De werkgever had geen idee wie of wat hij kon verwachten. Het enige wat hij wist, was dat een van die duizend kandidaten de baan moest krijgen en dat het iemand was die woonde in een straal van maximaal vijfentwintig kilometer rondom het bedrijf.

De Wet Nodig schreef voor dat werkbezoeken een minimumduur van vijftien minuten hadden. Hierdoor konden de kandidaten in elk geval genieten van een kop koffie, die ook bij wet was geregeld, voordat hen werd meegedeeld dat ze het pand dienden te verlaten, mocht het resultaat van de vragenlijst tegenvallen. Als het resultaat meeviel, ook dan moest men plaatsmaken voor een volgende kandidaat. Werkbezoeken afnemen was lopende bandwerk. Veel kandidaten brachten zelf koekjes voor bij de koffie mee, want daarin voorzag de wet niet.

Justus kon na twee weken vrijwel non-stop vragenlijsten afwerken geen koekje meer zien. Hij was halverwege die van de heer Psalm en de voorlopige resultaten vielen hem niet tegen. Zijn secretaresse kwam binnenlopen met een dienblad met daarop twee kopjes koffie en toebehoren en Justus liet haar met een handbeweging, die weinig aan de verbeelding overliet, weten dat hij behoefte had aan iets anders dan koffie. Glimlachend en met een van de kopjes in haar handen verliet het sportieve meisje het kantoor en deed de deur achter zich dicht.

 

IMG_5847

 

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedInShare on Google+Pin on Pinterest

UDOOL – deel 7

Quorn was jarig. Vandaag was hij negentien geworden. Hij had zichzelf een dagje vrijaf gegeven en zat met zijn vriend Abel op een terras dat zich aan de rand van een plein bevond. De zon was sporadisch te zien, de lucht was vol wolken. Het was niet koud en niet warm. Het beetje wind dat er was, was afkomstig uit het oosten en liet alvast doorschemeren dat de herfst er aan zat te komen.

Quorn kreeg zijn latte. Abel had weinig op met zuivel. Hij claimde dat hij er bultjes van kreeg, ook al was dat niet waar. Abel zei wel vaker dingen om interessant gevonden te worden. Hij beweerde ook dat in zijn kluis een iPhone 12 lag en hoewel het complete onzin was, en eigenlijk iedereen dat wel wist, waren er toch veel meisjes die met hem mee gingen naar zijn huis om te zien of het wel of niet waar was.

Een jonge horecatijger genaamd Leonieke zette de cafeïnevrije dubbele espresso voor Abel neer op het witte, ronde tafeltje en ze had er nog twee koekjes bijgedaan ook. Glimlachend. Uitkijkend over het plein nipten beide jongelingen aan hun drankjes. Ze spraken geen woord.

Druk was het niet op het plein. Rustig was het er ook niet. Iets tussen druk en rustig in. Bedrijvig. Quorn keek om zich heen en verbeeldde zich dat al deze mensen hem inspireerden om grootse dialogen te produceren waar velen omheen wilden maar slechts weinigen omheen konden.

Een duif zat een andere duif achterna en een kind op een fiets reed tegen een paaltje dat bij de botsing hooguit een spatje verf verloor. Het kind, een meisje van een jaar of vier gehuld in een gele poncho, huilde niet, maar keek slechts verbaasd op naar de staaf metaal die vanuit het niets op haar pad was gekomen.

Quorn had zijn latte eerder op dan Abel zijn cafeïnevrije dubbele espresso. De jarige wenkte Leonieke, die meteen naar hem toe kwam.

‘Wat wil jij?’, vroeg Quorn aan zijn beste vriend.

‘Nog even niets’, antwoordde Abel, die zijn lege kopje neerzette op het ronde, witte tafeltje, dat een beetje wiebelig was, maar niet extreem wiebelig. Gewoon een beetje wiebelig.

‘Dan wacht ik ook nog even’, zei Quorn tegen Leonieke, die vriendelijk bleef glimlachen en haar notitieboekje weer opborg in haar schort, daar waar ook de contouren van een zware portemonnee zich aftekenden.

‘Laat maar weten wanneer ik iets voor jullie kan doen, jongens,’ zei Leonieke.

Ze draaide zich om en liep naar een ouder echtpaar dat aan het tafeltje naast dat van Quorn en Abel was gaan zitten. Leonieke bleef staan en haalde haar notitieboekje tevoorschijn. Haar glimlach nam niet af, zelfs toen de nieuwe gasten nog niet klaar waren om een bestelling te doen en om bedenktijd vroegen.

Quorn staarde naar de naar binnen verdwijnende billen van de serveerster, die, zo schatte hij, hooguit vijftien of zestien jaar oud kon zijn. Een aanzet tot een nieuwe UDOOL dreigde te ontstaan met Leonieke op haar skateboard op drie wielen als middelpunt van het gesprek en een groepje puberende, op scooters rijdende hockeymeisjes om haar heen, die Leonieke luidruchtig wezen op de vele nadelen van geblinddoekt over straat skaten, maar de ambitieuze jongeling herinnerde zich de belofte die hij vandaag aan zichzelf had gedaan en wiste de UDOOL-gedachte uit zijn hoofd alsof het een krijtstreep was die werd weggevaagd door een simpele veeg met een kleddernatte spons en daarna, toen hij aan vrijwel niets meer dacht, keek hij naar de lucht en meende hij daar hoog aan de hemel een zwerm ganzen te bespeuren, maar zeker was hij niet daarvan.

De mensen liepen schijnbaar doelloos door elkaar. Toch was iedereen op weg ergens naartoe of in elk geval afkomstig ergens vandaan. Abel bestuurde de tekst op een bierviltje en maakte op een klein papiertje aantekeningen. Quorn wist dat hij ergens zin in had, maar wist niet in wat. Hij nam het menu dat op tafel stond in zijn handen en bestudeerde de mogelijkheden.

FullSizeRender 2

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedInShare on Google+Pin on Pinterest

UDOOL – deel 6

‘Erica! Erica! Waar hang je toch uit, snuitertje? Erica! Erica! ERICA! ERICAAAAA!!!’

Quorn schreeuwde zichzelf wakker. Badend in het zweet vroeg hij zich af waar hij was. Het duurde een paar tellen, maar toen wist de knul zich te herinneren dat hij gisteren vroeg in bed was gaan liggen en dat alleen aan zijn houding iets was veranderd.

Uit wat voor nachtmerrie was Quorn afkomstig? Hij was het al vergeten. Dat het intens was en over Erica Terpstra ging was duidelijk. Quorn was een groot bewonderaar van de voormalige topsporter en politica. Vanaf het moment dat hij haar hossend tussen uitgelaten hockeyers had zien staan, was hij verkocht. De manier waarop zij ‘o, enig’ zei, maakten zijn knieën buigbaar als heet rubber en van haar lach, die doldwaze schaterlach, raakte hij vertederd zoals andere jongelui vertederd raken van een steensolide wifi-verbinding. Hij richtte zijn hoofd op en bekeek de lichte bolling ongeveer halverwege zijn dekbed. Zijn adoptiefmoeder vond dat hij zich voor deze ‘afwijking’ moest laten behandelen, maar de jonge man dacht daar heel anders over. Nooit, nee, nee, nooit, nooit zou hij zich de onvoorwaardelijke liefde voor zijn Erica uit zijn hoofd laten kletsen. Nooit!

Terwijl Quorn zich de slaap uit zijn ogen wreef, bedacht hij dat hij deze droom niet voor niets had gehad. Waar was Erica? Hoelang had hij al niets van haar gehoord? Waar hing zijn snuitertje uit? Hij pakte de mauve iPhone 8, die hij van zijn beste vriend Abel had gekregen, en projecteerde het 3D-beeld van het internet schaamteloos op het plafond. Zijn hersengolven schopten zoekopdrachten het web op alsof het doodnormaal was en geen toekomstmuziek.

Niets. Het resultaat stelde hem teleur. Over Erica was alleen oud nieuws te melden. Ineens had Quorn een ingeving. Omdat hij al een paar weken geen goed idee voor een UDOOL had gehad, besloot hij om zijn droom als basis te kiezen voor UDOOL nummer zes. Dat leverde onderstaand resultaat op:

‘Erica! Erica! Waar hang je toch uit, snuitertje? Erica! Erica! ERICA! ERICAAAAA!!!’

Quorn schreeuwde zichzelf wakker. Badend in het zweet vroeg hij zich af waar hij was. Het duurde een paar tellen, maar toen wist de knul zich te herinneren dat hij gisteren vroeg in bed was gaan liggen en dat alleen aan zijn houding iets was veranderd.

Uit wat voor nachtmerrie was Quorn afkomstig? Hij was het al vergeten. Dat het intens was en over Erica Terpstra ging was duidelijk. Quorn was een groot bewonderaar van de voormalige topsporter en politica. Vanaf het moment dat hij haar hossend tussen uitgelaten hockeyers had zien staan, was hij verkocht. De manier waarop zij ‘o, enig’ zei, maakten zijn knieën buigbaar als heet rubber en van haar lach, die doldwaze schaterlach, raakte hij vertederd zoals andere jongelui vertederd raken van een steensolide wifi-verbinding. Hij richtte zijn hoofd op en bekeek de lichte bolling ongeveer halverwege zijn dekbed. Zijn adoptiefmoeder vond dat hij zich voor deze ‘afwijking’ moest laten behandelen, maar de jonge man dacht daar heel anders over. Nooit, nee, nee, nooit, nooit zou hij zich de onvoorwaardelijke liefde voor zijn Erica uit zijn hoofd laten kletsen. Nooit!

Terwijl Quorn zich de slaap uit zijn ogen wreef, bedacht hij dat hij deze droom niet voor niets had gehad. Waar was Erica? Hoelang had hij al niets van haar gehoord? Waar hing zijn snuitertje uit? Hij pakte de mauve iPhone 8, die hij van zijn beste vriend Abel had gekregen, en projecteerde het 3D-beeld van het internet schaamteloos op het plafond. Zijn hersengolven schopten zoekopdrachten het web op alsof het doodnormaal was en geen toekomstmuziek.

Niets. Het resultaat stelde hem teleur. Over Erica was alleen oud nieuws te melden. Ineens had Quorn een ingeving. Omdat hij al een paar weken geen goed idee voor een UDOOL had gehad, besloot hij om zijn droom als basis te kiezen voor UDOOL nummer zes.

Einde scène.

erica jong

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedInShare on Google+Pin on Pinterest

UDOOL – deel 5

Quorn lag op zijn rug. Met een potlood schreef hij zijn nieuwe UDOOL op een vel wit papier dat hij op een stuk karton had geplakt. Hoewel Quorn voldoende lijm had gebruikt, was hij niet bijzonder secuur geweest in het aandrukken van het papier. Slordig zelfs. Sommige hoekjes van het papier krulden lelijk om en hier en daar was een bolling tussen het papier en het karton ontstaan, waardoor de punt van het potlood nu en dan door het papier prikte, maar niet door het karton, want het karton was daarvoor te weerbarstig of de punt van het potlood niet puntig genoeg.

Tegen de zwaartekracht in werken viel hem niet mee. Al een keer of drie was het schrijfgerei uit zijn vingers geglipt en op zijn gezicht beland, maar zolang de verwondingen oppervlakkig bleven, zag Quorn geen reden om zijn werkwijze te veranderen. Dat zijn armen steeds in slaap vielen, vond hij ook al geen argument om UDOOL nummer 5 op een normale manier aan het papier toe te vertrouwen.

Aan het papier toevertrouwen was zo’n beetje de meest belegen gemeenplaats die Quorn kende, maar Quorn was gek op gemeenplaatsen, al moest hij vooral aan zichzelf bekennen dat hij niet precies wist wat een gemeenplaats was. Wanneer iemand hem zou vragen of hij überhaupt wist wat een gemeenplaats was, zou hij keihard liegen. Liegen of bluffen. Dat verschil kende hij ook niet. Gemeenplaats was gewoon een orkavet woord, vond hij. Soms als hij in zijn bedje lag en bijna in slaap viel, stelde hij zich voor dat hij door andere toneelschrijvers de koning van de gemeenplaats werd genoemd, bijvoorbeeld in interviews of in vraaggesprekken waarin hij plotseling ter sprake kwam. Wat nou het verschil was tussen interview en vraaggesprek wist hij niet. Afijn. Wat Quorn tot dusverre aan het papier had toevertrouwd:

Marlene en Gina, twee hartsvriendinnen uit een midden jaren 80 van de vorige eeuw geïndustrialiseerd deel van het Ruhr-gebied (Bondsrepubliek Duitsland), staan naast elkaar aan de lopende band van een steenkolenfabriek en selecteren gedisciplineerd steenkool op kleur, vorm en grootte. De instructies die zij van hun opzichter hebben gekregen zijn dermate duidelijk geweest, dat zowel Marlene en Gina exact weten wat hen te doen staat. Er is geen enkele ruimte voor improvisatie, beide hartsvriendinnen zijn zich daarvan bewust.

Van de twee is Marlene de mooiste, Gina de slimste. Gina is langer dan Marlene, maar Marlene is een half jaar ouder. Marlene heeft beide ouders nog, Gina leeft met haar vader onder een dak sinds haar moeder op een dag niet terugkeerde van de jacht. De plusminus twintigjarige meiden zijn gekleed in overalls van een onbekend merk, die vanochtend bij het aantrekken waarschijnlijk blauw waren, maar nu, nu het einde van de middag in zicht komt, toch steeds meer naar zwart beginnen te nijgen.

Marlene denkt dat Jens, die op de administratie werkt van deze steenkoolmoloch, een oogje heeft op Gina en probeert haar dat te vertellen. Ze doet echt haar best, maar het lawaai rondom is zo allesoverheersend, dat haar hese piepstemmetje volledig opgeslokt wordt door het geluid van bedrijvigheid binnen deze ouderwetse industrie.

Gina merkt tijdens het sorteren van de steenkool niet eens dat haar hartsvriendin tegen haar aan het praten is en daar baalt Marlene flink van. Marlene duwt Gina om haar aandacht te trekken en dat pikt Gina niet, die de duw beantwoordt met een gerichte kaakslag, waarna Marlene voorover valt op de lopende band en daar pas een meter of vijftien verderop door wat collegaatjes vanaf wordt gehaald. Ze is dan nog steeds buiten kennis.

Einde scene.

Zwart

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedInShare on Google+Pin on Pinterest

UDOOL – deel 4

Tijdens het beschilderen van de glazen gevel van het DeLaMar werd Quorn op zijn schouder getikt. Het was drie uur ‘s nachts en hij draaide zich geïrriteerd om. Quorn hoefde de tekst van UDOOL 3 alleen nog maar te ondertekenen met de voor theaterdirecteuren inmiddels beruchte rode Q en dan kon hij terug naar zijn zolderkamer, die hij eindelijk weer helemaal voor zichzelf had.

Quorn stond stijf van de stress. De hele week had hij niet aan zijn UDOOL’s kunnen werken omdat zijn moeder bij hem was komen logeren. Niet zijn natuurlijke moeder. Uiteraard niet. Ankie ‘Theus’ van der Iep had hem tenslotte vlak na zijn geboorte vrijwillig afgestaan. Quorn was geadopteerd door de Van Vossens uit Putten, Piet en Cora om precies te zijn. Lieve mensen, maar Quorn wilde liever niets met ze te maken hebben. Hij had zijn redenen. Minstens vijftien.

Cora, zijn adoptiefmoeder, stond ineens in zijn appartement. Onaangekondigd. Quorn had de deur geopend omdat hij een partij speciale glasverf verwachtte, maar die bestelling had in het distributiecentrum vertraging opgelopen en werd zes dagen te laat bezorgd. Had hij geweten dat het Cora was die had aangebeld, dan had hij niet opengedaan. Cora afpoeieren lukte niet. Cora was niet het type dat zich af liet poeieren, zeker niet door het snotjong dat zij eigenhandig met illegaal geïmporteerde moedermelk had grootgebracht.

Ze had een slaapplaats nodig in de stad. Cora ging stappen met haar christelijke vriendinnen en ze had geen zin om kapitalen aan een hotelkamer uit te geven. Quorn dacht dat Cora een nacht zou blijven, maar een nacht werden twee nachten, twee nachten werden er drie en vanochtend, op dag nummer zeven van haar visite, was ze eindelijk vertrokken. In haar blauwe Fiat Uno terug naar Putten. Cora had Quorns bed geclaimd, daarop had ze recht vond ze, waardoor er voor hem alleen plaats was op een kleine, versleten handdoek voor de wasmachine, die overigens hoognodig gerepareerd moest worden en stonk naar zure pannenkoeken.

Zijn lijf deed al een week pijn van liggen op de harde vloer en van werken was mede door slaapgebrek de hele week niets terechtgekomen. De angst dat zijn carrière als toneelschrijver voorbij was voordat die goed en wel op gang was gekomen, zat diep bij Quorn. En uitgerekend nu, nu de ergste malaise achter de rug leek, waagde iemand het hem op zijn schouder te tikken en aandacht van hem te vragen.

Vlak voor Quorn stond een grote, oudere man met een vettige bril op zijn neus en alleen wat haar aan de zijkanten van zijn hoofd. Op zich was zijn gezicht niet onvriendelijk, maar echt blij leek de man niet te zijn. Hij vroeg Quorn of hij wist wie hij was. Dat wist Quorn niet. De man stelde zich voor, maar de naam Joop van den Ende zei Quorn niets. Hij was het zat dat deze onbekende zich in zijn bestaan probeerde te mengen. Quorn bukte zich, pakte zijn verfspulletjes en deed ze in een plastic tas, die hij aan het stuur van zijn fiets hing. Joop van den Ende sputterde, maar hij kon Quorn er niet van weerhouden om in de richting van zijn zolderkamer te fietsen. Doodmoe, maar vol inspiratie, ontwikkelde Quorn in de loop van de nacht UDOOL nummer 4:

Jack, Corné en Wilco zijn op zoek naar aardbeien in een klein Pools dorp. Hun pension in Warschau moest tijdelijk worden ontruimd in verband met een rattenplaag en daarom besloten ze met hun huurauto (Nissan) de provincie in te trekken. Het dorp ligt er uitgestorven bij, het is ongeveer 16.00 uur lokale tijd. Jack is kruidenier, Corné is nachtportier van een buurthotel en Wilco is even afhankelijk van een uitkering, omdat hij overbodig werd bij het matrassenbedrijf, waar hij werkte op de afdeling sales. Alledrie zijn ze ongeveer even oud, al oogt vooral Wilco minstens tien jaar ouder dan zijn makkers. Ze bereiken een put en houden daar halt voor een evaluerend gesprek:

Jack: ‘Hebben jullie een winkel gezien?’

Corné: ‘Nee.’

Wilco: ‘Nee.’

Jack: ‘Gek, hè? Geen winkels. Je zou hier toch minstens een kruidenier verwachten.’

Corné: ‘Jij bent toch kruidenier?’ (lacht)

Wilco: ‘Hahaha. (schuddebuikend) Dat is een goeie.’

Jack kijkt beteuterd, hij weet niet goed om te gaan met grappen die ten koste van hemzelf worden gemaakt. Jack zwijgt en staart naar een punt in de verte. Corné en Wilco zwijgen ook, grote praters zijn ze allemaal niet en zullen ze ook nooit worden. Dan wordt het heel snel donker en de drie mannen besluiten terug te rijden naar Warschau, alwaar hun pension ondertussen geheel vrij van ratten is gemaakt.

Einde scène.

IMG_2556

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedInShare on Google+Pin on Pinterest

UDOOL – Deel 3

Quorn heeft een fan. Althans, er is iemand die hem een mailtje heeft gestuurd waarin hij of zij beweert dat Quorns ‘Unieke Dialogen Op Ongebruikelijke Locaties’ hem of haar in hogere sferen hebben gebracht. Hij of zij las UDOOL nummer twee op de gevel van een obscuur theatertje in Amsterdam, een week of drie geleden. Het bericht was afkomstig van ene atm@atm.com en werd afgesloten met een X. Hoe atm@atm.com aan Quorns email-adres was gekomen, was onduidelijk.

‘Hogere sferen’, dacht Quorn, ‘wat moet ik daar nou mee?’

Hij begreep het niet, wat te maken had met zijn totale gebrek aan inlevingsvermogen. Voor zijn ouders, Karl May de Ridder en Ankie ‘Theus’ van der Iep, was deze tekortkoming de voornaamste reden om Quorn vlak na zijn geboorte ter adoptie af te staan, al speelde mee dat Ankie eigenlijk helemaal niet zwanger wilde worden van Karl May, van helemaal niemand in feite. Ze haatte haar vriend en minnaar vanaf hun allereerste oogcontact. Dat ze het toch vijftien jaar met hem uithield, had te maken met de kleur van zijn baard en niet te vergeten zijn stem, die bij tijd en wijle het glas in de glazenkast aan het rinkelen bracht als hij tegen Ankie zei dat hij meer vlees en minder groente op zijn bord wilde. Dat waren de momentjes waarop ze hem leuk vond. Voor de rest vond ze hem duf. Het laatste waar ze op zat te wachten was een kind. Toch besloot ze de zwangerschap niet voortijdig te beëindigen, om redenen die onbekend zijn. Karl May en Ankie wonen nog steeds in hetzelfde dorp waar Quorn tijdens de rust van een korfbalwedstrijd is verwekt, maar wel in aparte woningen.

UDOOL 3. Tim en Hans zijn toeristen. Zij zijn bevriend sinds de lagere school. Tim is 34 en Hans ook. Ze bevinden zich in een Spaanse stad en nemen deel aan lokale folklore. Zij en honderden anderen worden op de hielen gezeten door een kudde schapen, die door de straten wordt gejaagd door volwassen mannen met weinig respect voor dieren. Tim heeft voor de gelegenheid zijn beste pak aangetrokken, een driedelige krijtstreep van het merk Mart Visser. Daaronder draagt hij lederen schoenen van het merk Jan Jansen. Over zijn sokken en ondergoed is niets bekend. Het zou kunnen dat hij geen sokken en ondergoed draagt. Hans ziet er sportiever uit. Hij draagt een korte broek van het merk Adidas en een rood shirt, ook van het merk Adidas. Hans loopt op schoenen van het merk Adidas en draagt geen sokken, maar heeft een sportieve onderbroek van het merk Adidas aan.

Hans: ‘Rennen!’

Tim: ‘Ik kan niet sneller.’

Hans: ‘Daar komen ze!’

Tim: ‘Ik kan niet sneller.’

Hans: ‘Dan laat ik je achter.’

Tim: ‘Nee. Laat me niet achter.’

Hans: ‘Jawel. Doei!’

Tim wordt vertrapt door de kudde schapen. Hans overleeft de lokale folklore.

Einde scène.

IMG_2139

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedInShare on Google+Pin on Pinterest

UDOOL – deel 2

Quorn vond verontwaardigde reacties op zijn eerste UDOOL in de brievenbus. De anonieme briefschrijvers waren niet gediend van het feit dat de ambitieuze jongeling (17) zijn ‘Unieke Dialogen Op Ongebruikelijke Locaties’ op gevels van theaters en schouwburgen had aangebracht met witte verf die sneldrogend en bovendien moeilijk te verwijderen was. Over de inhoud of artistieke waarde van Quorns UDOOL werden in de brieven geen mededelingen gedaan. Wel hadden sommige klagers een rekening voor het reinigen van een of meerdere gevels bijgevoegd. Quorn vond dat stom. Hij was niet van plan die rekeningen te betalen omdat zoiets niet strookte met zijn opvatting van het kunstenaarschap.

UDOOL 2. Liesbeth, Suzanne, Marie en Foefie zitten op handgevlochten krukjes rond de koffieautomaat in een bakkerij voor pita-broodjes. De broodjes zijn tevens voor de verkoop en kosten vrijwel niets. De krukjes zijn laag en onverplaatsbaar. Ze zitten compleet ruk, maar staan vinden de meiden ongepast. Vanwege de omvang van de koffieautomaat is het niet mogelijk dat de de vier hartsvriendinnen elkaar allemaal kunnen zien.

L: Foefie, zie je mij?

F: Nee. Suzanne, zie je mij?

S: Nee. Marie, zie je mij?

M: Nee. Liesbeth, zie je mij?

L: Ja. En ik kan je ook horen.

F: Ik zie Marie wel.

S: Ik zie Foefie wel.

M: Ik zie Liesbeth wel. En ik kan haar ook horen.

L+F+S+M: Nou moe.

Dan komt de pitabakker tevoorschijn. Zijn naam is Sietse, hij is geboren in Ankara. In accentloos Nederlands zegt hij dat de broodjes klaar zijn en dat er afgerekend kan worden.

De dames zijn opgelucht. Zij betalen fluitend – Waterloo (Abba) – en lopen met zijn vieren naar de slagerij in de volgende straat voor shoarmavlees en shoarmasaus. Voordat ze allemaal naar huis gaan om broodjes shoarma te gaan maken en die lekker op te eten, spreken ze af om later naar het terras te gaan.

Einde scène.

IMG_2151

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedInShare on Google+Pin on Pinterest

UDOOL – deel 1

Quorn is beginnend toneelschrijver. Om indruk te maken op theatermakers bedenkt hij de serie ‘Unieke dialogen op ongebruikelijke locaties’ (UDOOL’s), die hij met witte verf op de gevels van diverse theaters, schouwburgen etc. kalkt. De reacties van omstanders op zijn werk variëren van ‘gedurfd’ tot ‘overbodig’ en ‘smakeloos’. Quorn houdt ondertussen dapper vol.

UDOOL 1. John-Boy en Walter in de deuropening van een vliegtuig, op een paar kilometer hoogte. Tijdstip: Vlak voordat zij met een parachute op hun rug naar buiten springen. Ieder een, by the way. Piloot is vader van drie kleintjes. Co-piloot ligt op bed met griep. Deze laatsten spelen overigens geen rol in deze scène.

J-B: VERSCHRIKKELIJK, HÈ!? VAN KEES! (veegt denkbeeldige tranen weg)

W: HET IS NIET TE BEVATTEN! IK KAN AAN NIETS ANDERS DENKEN! (idem)

J-B: IK OOK NIET!

W: WAT?!? (houdt hand bij oor)

J-B: I-K O-O-K N-I-E-T!

W: OK!

J-B: JA! HOE MOET HET NU VERDER MET DE WINKEL?!? (trekt vragend gezicht)

W: GOEDE VRAAG! IK DENK DAT MADELIEF HET EERSTE HET BESTE BOD ONMIDDELLIJK MOET ACCEPTEREN! (glimlacht)

J-B: MADELIEF KENNENDE MOET ZE EERST DE PIJN VERWERKEN, ALVORENS ZE BEREID ZAL ZIJN OM ZELFS MAAR NAAR HET EERSTE HET BESTE BOD TE WILLEN LUISTEREN! (kijkt betweterig, niet zo sympathiek)

W: DAAR ZEG JE ZOIETS! VANUIT DIE INVALSHOEK HAD IK HET NOG NIET BEKEKEN! (glimlacht)

J-B: WAT!?!

W: DAAR ZEG JE ZOIETS! VANUIT DIE INVALSHOEK HAD IK HET NOG NIET BEKEKEN! (glimlacht extra)

J-B: OK!

W: OK! (steekt pink op, Walter is bij een ongeval beide duimen kwijtgeraakt)

J-B: JA! VANOCHTEND ZEI BABS NOG TEGEN ME DAT MIJN KIJK OP DE DINGEN ANDERS IS DAN BIJ DE MEESTE ANDEREN HET GEVAL IS!

W: HAHA! DIE BABS! HOE IS HET MET HAAR!? BLIJFT ZE ER EEN BEETJE ZAKELIJK ONDER?! (kijkt ernstig, bijna serieus)

J-B: DAT GELOOF IK NIET! STANDJE NEUTRAAL IS TOCH MEER HAAR DINGETJE! ZEG MAAR! (wankelt, zoekt en vindt houvast)

W: O, O, O! DIE BABS IS ME ER EENTJE! NOG EVEN EN ZE BRENGT MEER IN DAN DE REST VAN DE PARTNERS! DIE JONGENS ZULLEN LELIJK OP HUN WANGEN KRIJGEN ALS HET MOMENT DAAR IS! (stem slaat over)

J-B: HAHAHA! IK ZEI GISTEREN NOG TEGEN BRANDON DAT HIJ OP ZIJN TELLEN MOET PASSEN! ANDERS IS ZIJN KOSTJE GEKOCHT! ZEG MAAR! HIJ BEGREEP NIET WAAR IK HET OVER HAD! (wijst met vinger naar zijn kruis)

W: TYPISCH BRANDON! ALTIJD VOOROP LOPEN, MAAR INSPIREREN HO MAAR!

J-B: DAAR IS DIE JONGEN VAN HR HET MOGELIJK MEE ONEENS, WALTER! (knipoogt)

W: HAHAHA! (lacht)

J-B: HAHAHA! (idem)

Groen licht. John-Boy springt eerst, Walter springt hem even later achterna.

Einde scène.

Fire in the sky

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedInShare on Google+Pin on Pinterest

Vuurman Rafaël

Rafaël haatte bomen.

De ellende kon ieder moment beginnen. Dit keer zou het niet zijn schuld zijn.

Zijn badlaken had hij over de stam van een omgevallen eik gelegd – die was alvast dood en vormde geen bedreiging – en was erop gaan zitten. De rugzak met daarin zonnemelk en een boek over uitheemse eczeemvarianten nam hij op schoot. Het liefst was hij blijven staan maar zijn benen protesteerden. Op de grond zitten tussen de takjes, bladeren en beestjes wilde hij niet. Voor beestjes was hij bang. Beestjes kropen overal in en wie weet wat ze uitspookten als ze eenmaal in hem zaten.

Rafaël had geen idee waar hij was. De zon scheen in zijn gezicht. In het bos was het erg warm. Rafaël begon te zweten. Hij voelde zich wanhopig. Ze kenden zijn problemen met levend hout. Ze wisten dat hij ziek was en werd behandeld en toch hadden ze hem hier achtergelaten. Hij werd niet serieus genomen. Zijn aansteker en lucifers hadden ze afgepakt.

Natuurlijk had hij nee gezegd toen ze vroegen of hij mee wilde gaan. Rafaël zei altijd nee als ze vroegen of hij mee wilde gaan. Zijn argumenten waren zwak geweest of hij had zich niet krachtig genoeg opgesteld. Had het in hun ogen niet voldoende gemeend. Niet dat zijn houding ertoe deed. Het was de normale gang van zaken.

Zijn vrienden accepteerden geen afwijzing, van hem niet in elk geval. Anderen mochten afhaken. Rafaël niet. Zonder hem was het minder gezellig. Zonder hem hadden ze geen zin. Als hij niet meeging dan bleven zij ook thuis. Ze verveelden zich liever dan dat ze zonder hem naar het strand gingen. Rafaël wilde mensen niet teleurstellen, vooral zijn vrienden niet. Hun plezier woog zwaarder dan zijn geluk.

Het strand. Rafaël trapte er steeds in. Zijn vrienden geloofden dat als ze hem vaak genoeg onder valse voorwendselen in een bos dumpten, hij op een gegeven moment zou inzien dat de boom niet de vijand was, dat die juist het beste met hem voorhad. Hoe vaker hij bomen om zich heen had, hoe sneller hij zou genezen. De natuur was zijn vriend. Ze konden bijzonder overtuigend zijn. Zijn vrienden waren intelligente mensen, al bleek daar soms bitter weinig van. Af en toe zouden ze naar hem moeten luisteren, vond Rafaël.

Als hij sterker was geweest zat hij nu thuis of was hij op ander bekend terrein. In de kliniek bijvoorbeeld. Daar voelde hij zich veilig. Daar waren de bomen veilig voor hem. Nu zat hij hier. Alleen. Zijn mogelijkheden om vuur te maken waren beperkt. Zijn vrienden zouden terugkeren, hadden ze gezegd. Wanneer was niet duidelijk. Waarschijnlijk pas als het te laat was.

Rafaël zat op de stam van een omgevallen eik. Op zijn badlaken. Zijn rugzak met daarin zonnemelk en een boek over uitheemse eczeemvarianten had hij op schoot. Hij moest wel naar de bomen kijken.

De bomen keken ook naar hem. Ze staarden spottend, hun mondhoeken krulden omhoog, de bomen glimlachten als valse clowns. Rafaël zag puntige tanden van levend hout. Dikke takken veranderden in handen, de eerste vingers kwamen al in de buurt van zijn lichaam. Nog even. Nog even en de bomen zouden hem te pakken krijgen, in stukken scheuren en opvreten. Rafaël was de prooi.

De grootste duivel schraapte zijn keel. Dit geluid had Rafaël eerder gehoord. Het klonk als een roestige spijker die over een schoolbord schraapte maar dan intenser. De boom lachte en noemde het woord dat hem tot razernij dreef. Rafaël sprong van de eik. Van de droogste takken en bladeren die hij kon vinden bouwde hij een brandstapeltje. Zijn vrienden moesten nu terugkeren. Hem hier weghalen voordat hij het vergrootglas uit zijn schoen haalde en het bos in lichterlaaie zette.

Voordat het te laat was en hij weer de schuld kreeg.

Boom

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedInShare on Google+Pin on Pinterest